U kunt een apparaat activeren of deactiveren om het te laten synchroniseren met Field View, of een apparaat dat niet meer in gebruik is deactiveren.
U moet een apparaat voor een project deactiveren als het niet langer met dat project hoeft te worden gesynchroniseerd. Dit kan ruimte op het apparaat vrijmaken die kan worden gebruikt voor nieuwe projecten. Om veiligheidsredenen moet u een apparaat ook deactiveren als de eigenaar van het apparaat niet meer met u samenwerkt of als het apparaat gestolen is. In dat geval moet u het apparaat deactiveren voor elk project waarvoor het is geactiveerd.
- Selecteer het menusymbool
in de linker bovenhoek en kies vervolgens Project instellingen. Selecteer Apparaten. - Selecteer de kolom REF voor het apparaat dat u wilt activeren of deactiveren.
Tip: Standaard ziet u alleen de actieve apparaten op deze pagina. Schakel het keuzevakje Actieve apparaten uit om ook gedeactiveerde apparaten te zien. U kunt de lijst van apparaten ook filteren om het gewenste apparaat snel te vinden. Zie
De lijst met apparaten filteren of het filter wissen.
- Schakel het keuzevakje Actief in of uit.
- Kies Opslaan.
Het geactiveerde apparaat kan nu synchroniseren met Field View. In de kolom Actief wordt een vinkje
weergegeven om aan te geven dat het apparaat actief is. Als u het apparaat hebt gedeactiveerd, wordt in de kolom Actief een
symbool weergegeven dat aangeeft dat het apparaat inactief is.Als u het apparaat hebt geactiveerd, moet u de inschrijving op het apparaat voltooien. Zie Een inschrijvingscode voor een apparaat opnieuw genereren.